Studeren en schrijven hebben veel gemeen. Voor Hans dan. Het is voor Hans onmogelijk om deze bezigheden thuis uit te voeren. Hij moet eerst een reis maken ― het liefst per trein ― om vervolgens in een bibliotheek dè plek te vinden waar hij zich het meest op zijn gemak voelt. Ook neemt hij bij zowel studeren als schrijven na ieder uur een korte pauze; hij loopt dan eventjes of gaat wat drinken. Er zijn echter twee grote verschillen tussen deze twee bezigheden.
Het eerste: bij schrijven kan hij in een soort verrukking komen waardoor hij door blijft schrijven. Bij studeren is dat niet zo.
Het tweede: bij studeren heeft Hans altijd, maar dan ook altijd, de drang om te gaan schrijven. Andersom is dat niet zo.
Hans zit achter in de studiezaal van de universiteitsbibliotheek. Hij heeft zijn eigen bureau met zijn eigen bureaulamp. Het is dè plek waar hij zich nu het meest op zijn gemakt voelt. Studieboeken over Nederlandse literatuur en enkele romans liggen voor hem. De meeste zijn opengeslagen en bedekt met blaadjes van aantekeningen.
Hij houdt van zijn studie. Literatuur. Als kind was hij al gek op geschreven verhalen. Later, toen hij zelf ook begon te schrijven, wist hij dat hij in de toekomst literatuur wilde studeren. En nu, als jongeman, volgt hij de studie literatuur.
Hij leeft zijn droom.
Maar, bij zijn opleiding is niet alles goud wat er blinkt. Het is waar, Hans is drie jaar geleden een wereld ingedoken van romans, gedichten en toneel, een wereld waarin hij zoveel kennis en wijsheid tot zich neemt waardoor hij zijn brein als een soort spons is gaan zien, maar deze studie heeft een keerzijde. Het is namelijk zo dat het zijn eigen creativiteit remt. De spons moet ook op z’n tijd eens fijngeknepen kunnen worden, zodat de kennis en wijsheid van toepassing komen. En daar is geen tijd voor. De vele colleges en de bergen huiswerk geven Hans geen kans om zijn spons uit te knijpen.
En daarnaast is er morgen ook nog een tentamen.
Hij heeft zijn hoofd steunend op zijn vuist, de knokkels drukken op zijn jukbeen. Hij is de enige die niet bezig is van de vele studenten die in de zaal zitten. Hij zit pas twee uur in de bibliotheek en hij moet nog veel voorbereiden voor morgen, maar motivatie heeft hij niet meer. Een korte pauze net heeft niet geholpen.
Hans zucht en doet zijn schoudertas open. Hij pakt zijn multomap en legt deze neer, bovenop de boeken en blaadjes. Hij slaat de map open en meteen verschijnt er een brede grijns op zijn gezicht. Zijn roman. Een grote, grote, grote drang komt boven om nu te gaan schrijven. Al die spanning en druk voor het tentamen van morgen is energie die op een heel andere manier gebruikt kan worden. Hans weet dat. Als hij wil zou hij zo gaan schrijven totdat de bibliotheek sluit. Maar dat zou fataal zijn voor zijn tentamen. Dat weet Hans ook.
De multomap gaat dicht en weer de tas in.
Sowieso is Hans bij een moeilijk hoofdstuk van zijn roman, als het niet het moeilijkste hoofdstuk is. Het is namelijk het gedeelte waarin de liefde van de hoofdpersoon duidelijk wordt gemaakt. En deze liefde wil Hans zo speciaal mogelijk maken. De grote vraag die beantwoord moet worden is: „Wat vindt de hoofdpersoon zo speciaal aan de mooie vrouw?” Hans wil liefde op een aparte manier beschrijven, maar hij weet niet hoe.
Hij zucht.
Het is nu acht uur ’s avonds. Er is nog vier uur in totaal, want de bibliotheek is open tot middernacht. Vier uur is meer dan voldoende voor een goede voorbereiding op het tentamen. Hans zucht nogmaals, rekt zich uit, kraakt zijn nek en vingers en scherpt zijn ogen, die de letters van zijn studieboeken, romans en aantekeningen weer proberen aan te vallen.
Hij begint met het analyseren van de romans. Morgen op het tentamen worden vragen gesteld over de opbouw van enkele hoofdstukken. Het is iets dat je goed moet beheersen. Maar na tien minuten is Hans’ aandacht even afgeleidt. Hij ziet dat het woord ‘teveel’ in een bepaalde zin verkeerd gebruikt is. De zin in het boek is als volgt: „Zij vindt dat teveel”. Dat is fout, denkt Hans. Het woord ‘teveel’ is een zelfstandig naamwoord. Er zou juist ‘te veel’ moeten staan. En hij lacht.
De Nederlandse taal zit vol gaten. Gaten die worden opgevuld met meningen. Dit woord bijvoorbeeld, ‘teveel’, zou bijna niemand opmerken als een verkeerd geplaatst woord. Het is een fout in de zin, maar ook weer niet. Er zijn talloze voorbeelden, die de een als een grote fout kan zien maar de ander weer niet. Zo heb je het gebruik van aanhalingstekens: om een nadruk te geven bij een woord kun je aan weerszijden twee aanhalingstekens gebruiken of juist maar één. Er bestaat gewoonweg geen vaste regel voor. Hans vindt deze imperfecties, deze onvolkomenheden, geweldig. Het laat zien dat de Nederlandse taal leeft, dat het open is en dat niet alles fout hoeft te zijn. Hij vindt ze vooral geweldig omdat hij dan dit soort gaten op kan vullen met zijn eigen meningen.
Hij kijkt voor zich uit. Wat nu als zijn hoofdpersoon ook van imperfecties houdt? Wat nu als de vrouw van wie hij houdt, ontzettend mooi is, maar dat hij juist houdt van die ene moedervlek schuin onder haar mond? Wat nu als hij houdt van die ene voortand die een beetje scheef staat? Wat nu als hij houdt van die enkele puistjes op haar voorhoofd? Kleine dingen die andere mensen als ‘lelijk’ beschouwen, maar hìj juist niet? Gaten die hij juist opvult met zíjn mening, en niet die van anderen?
Hans pakt zijn notitiebloknootje en schrijft op: „Idee: het aparte aan zijn liefde is de bewondering voor het imperfecte”. Hans doet zijn bloknoot weg, maar even later pakt hij het weer om dit op te schrijven: „Idee: opsomming maken van alle onvolkomenheden van de mooie vrouw”. Hans doet zijn bloknoot weer weg en wil verder gaan met studeren, maar dan pakt hij het weer terug. Hij wil weer een idee opschrijven, maar schrijft niet. En dan, alsof het een misdaad is, kijkt hij behoedzaam om zich heen of iemand het ziet, gaat zijn hand naar de schoudertas en pakt hij zijn multomap.
Een stem: „Dames en heren, het is tien voor twaalf. Wil iedereen zich naar de uitgang begeven? De bibliotheek gaat sluiten. Dank u.”
Hans schrikt op en kijkt voor zich uit. Hij is de enige in de studiezaal. Buiten is het hartstikke donker. Hij is in euforie. Hij heeft het moeilijkste hoofdstuk van zijn boek geschreven! Maar deze euforie wordt haastig gevolgd door drie opeenvolgende gedachten.
De eerste: over zeven uur gaat de wekker al.
De tweede: hij gaat het tentamen verknallen.
De derde: het was het waard.
Joshua
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.














